Waaghals

‘Een tedere liefdesvertelling waarin een verloren gewaande geliefde terugkeert om achterblijvers te troosten.’ Manon Uphoff

Twintig jaar geleden overleed hij plotseling. In 2018 schreef ik het kortverhaal Waaghals over onze vriendschap voor de Prijs voor Eindhovens Schrijftalent. Gelukkig werd het uitgekozen als één van de mooiste vijf verhalen voor in de bundel. Want zo kon ik onze liefde delen en ik hoopte dat het verhaal mensen zou troosten. Dat deed het. Daarom verspreid ik het verhaal in deze bijzondere tijd (april 2020) opnieuw. Voor iedereen die iemand verloren heeft, recentelijk of langer geleden.

Voel je vrij om het verhaal te delen.

Ik publiceer Waaghals met goedkeuring van Boekhandel Van PiereNatlab en De Bibliotheek Eindhoven. De prijs is een samenwerking tussen bovenstaande partners en Dela.

De bundel waarin Waaghals is gepubliceerd heet De perfecte kluisroof en is bij boekhandel Van Piere in Eindhoven te koop. Het thema van de schrijfwedstrijd was ‘geschiedenis.’

Waaghals – Sofie Smit

Het oranje licht maant me tot stilstand. Ik knijp in de handrem en stap af. De mouwen van mijn winterjas schuif ik over mijn handen. Ik wil de kilte niet voelen. Het fietspad treft hier een breed kruispunt aan de rand van de stad. Als ik het straatnaambord zie, denk ik aan jou. Iedereen die zoiets meemaakt, denkt bij deze straatnaam aan meer dan een straat. Dat geloof ik tenminste. Zo is het voor mij. Want op het moment dat je aan de overkant was, werden de kleinste dingen betekenisvol.

Destijds reden we met de auto de kruising over en zag ik op het bord hetzelfde adres als op de uitnodiging. Ja, dat was het. Het was een uitnodiging om het leven te vieren, want jouw afwezigheid bevestigde de aanwezigheid van ons allen. Ik zat naast mijn moeder. Ze sloeg af naar onze bestemming en stapvoets reden we een ronde over het parkeerterrein. Uiteindelijk moesten we een eindje van het gebouw parkeren. Een grote groep mensen wachtte bij de ingang. Als je doodgaat op jonge leeftijd zijn er nog velen die van je houden. Toen we de groep naderden, zag ik hem staan. Jouw beste vriend. Dat wat ik heel de dag had proberen vast te houden, brak los. In onze omhelzing voelde ik de diepte van mijn verdriet. 

Het stoplicht gaat op groen. Ik blijf staan. De rugzak met mijn laptop erin zit vastgeknoopt in het kinderzitje. Ik heb me voorgenomen om vandaag in de bibliotheek een verhaal te schrijven over jou. Maar ik twijfel nu of ik dat ga doen.

Iemand had jou ooit het advies gegeven je ervaringen op papier te zetten, je gevoelens vrijuit te laten gaan. Heb je dat gedaan? Je schreef mij natuurlijk in je brieven, maar heb je ook eens een langer relaas geschreven, alles eruit gegooid?

Misschien hou ik de woorden liever bij me, mijn hart is voorzichtig. Zodra ik ze opschrijf, worden ze waar. Wordt waar wat ik heb beleefd en open ik wat ik zorgvuldig sloot. Ik weet niet of ik dat wil. Dan moet ik voelen.  

Links van me staan kantoorpanden. Als ik naar rechts zou kijken, zou ik het crematorium zien. En ineens ben ik weer bij die dag, die dag in de zomer, en het verhaal vertelt zich binnen in mij. We lopen naar binnen. Terwijl de melodie van Dance Macabre klinkt, vinden we een plek om te zitten. Er zijn niet genoeg stoelen en verschillende jongeren staan aan de rand van de zaal. Vrienden van jou? Ik ken ze niet. De laatste jaren van je leven reed je op een soort parallelbaan, zoals je nu misschien in een paralleluniversum leeft. Je had een vriendin die het fijner vond als wij elkaar niet meer zagen. Je deed wel je best voor ons. Dan worstelde je jezelf los om bij mij koffie te drinken, een sjekkie te draaien en samen stil te zijn. Maar je kwam niet vaak en bleef nooit lang. Je relatie met haar duurde twee jaar. Twee jaar is lang als je maar eenentwintig wordt.

Het licht is weer oranje. Mijn keel is dik. Ik wacht en denk aan onze eerste ontmoeting. Ik ben veertien jaar en ga voor het eerst op vrijdagmiddag iets drinken in de stad. Met drie vrienden fietsen we vanaf de Damocleslaan naar het Stratumseind. Ik vind het spannend. De Altstadt is ons eindpunt en ik probeer als een geoefende kroegganger over te komen als ik een pilsje bestel. Gelukkig lijk ik een stuk ouder dan ik ben. Achterin, op het podium, zit jij in kleermakerszit. Je lange, groen geverfde haren hangen half voor je diepliggende ogen. Kistjes aan je voeten, een bakkersbroek om je benen. Mijn vriendin stelt ons aan elkaar voor en al gauw ontstaat het gesprek dat we nog altijd voeren. Diezelfde avond eten we met z’n tweeën een frietje en gaan we naar Trainspotting in het Rembrandt Theater. Ik ben laat van huis voor mijn leeftijd, maar in het rumoer van een scheiding kan ik wel eens ertussenuit knijpen. Als ik de laatste bus maar haal. Jij zorgt ervoor dat ik op tijd op het station kom. Achterop jouw oude Puch racen we door de straten, mijn armen om je leren jas geslagen, mijn neus in je haren.

‘Ik hoop dat ik je niet heb verveeld met mijn gezanik,’ zeg je.

‘Een beetje maar,’ plaag ik.

‘Zie ik je maandag in de kleine pauze?’

‘Ja, fijn,’ antwoord ik zacht. Mijn wangen zijn warm. Ik zwaai nog naar je vanuit de bus. De hele rit naar huis laat ik de dag opnieuw voorbijkomen.

Terwijl oude tranen zich naar buiten willen wurmen, zie ik je in gedachten op het schoolplein. Ik krijg die maandag jouw eerste briefje, dat ik snel beantwoord. In de pauzes elkaar steeds opzoekend en de post – dubbelgevouwen proefwerkblaadjes, bierviltjes of papieren vliegtuigjes – in elkaars zakken duwend, komen we steeds dichter bij elkaar. Niets blijft onbesproken, van de saaie scheikundelessen tot de veer in mijn haar, van hoe klote je je soms voelt tot de muur die ik om me heen heb gebouwd, van Alanis Morrisette, die jij als zangeres voor je bandje wil hebben, tot het ankh-teken dat je om je hals draagt. Het symbool voor het leven en het leven na de dood. Op de tiende dag schrijf je: ‘Ik hou op een rare manier van je, niet zoals van een gewone vriendin, maar anders.’

Vrachtwagens rijden langs. Ik kijk door ze heen en verblijf in een andere tijd. Ik ben bij jou thuis. Op een dag ben ik na school met je meegegaan naar de Vlinderbuurt. Op zolder heb jij je domein. Een bed op de grond met een tv aan het voeteneind. Een gitaar in de hoek, cd’s van Led Zeppelin en Janis Joplin op de grond. ‘Freedom is just another word for nothing left to lose’, naar een songtekst van Janis, vind je waarachtig klinken. Als klein kind droomde je ervan te kunnen vliegen. Op je bed roken we een pijp met honingtabak en ineens wil je me iets vertellen.

‘Ik ben verliefd op je.’

Ik voel van alles, maar zeg niets. Hoewel ik ook verliefd ben, weet ik dat ik geen relatie met je wil. Je komt al dichtbij genoeg. Later begrijp ik dat je verliefde gevoelens kunt hebben voor iemand bij wie je je thuis voelt, maar met wie je geen thuis hoeft te maken. Iemand bij wie alles goed is, iemand die een licht binnen in je laat schijnen, iemand die zo vertrouwd voelt dat er een deel van jezelf meegaat als diegene overlijdt.

Een fietser haalt me in. Het is groen. Ik stap op en trap traag naar de overkant van de Anthony Fokkerweg. De Oirschotsedijk is hier als een lange sierlijke oprijlaan van de stad, het fietspad een rode loper. Terwijl ik tussen de bomen rijd en de wind mij zachtjes voortduwt, ontvouwt het verhaal zich verder. Ik ben terug in het crematorium. De vrouw van de begrafenisonderneming spreekt over je eigenzinnigheid, over de logische keuze om jou in een rode doek te wikkelen in plaats van op te sluiten in een kist. Jij wilde niet in een hokje passen. Je moeder vertelt hoe gemakkelijk je het vond om aan iedereen te geven, behalve aan jezelf. Ze zegt dat je het leven zo liefhad, dat je je erin verslikte. Er klinkt muziek. No need to argue van The Cranberries: ‘I knew I’d lose you. You’ll always be special to me.’

Na het lied hoor ik mijn naam. Of ik naar voren wil komen. Je moeder vroeg me of ik iets wilde zeggen tijdens de dienst. Natuurlijk wilde ik dat. Ik was blij met de vraag. Hij gaf blijk van onze verbinding. Wat zou ik vertellen? Het was te pijnlijk voor me om uit te weiden over je drugsgebruik. Hoe ik je langzaam zag uitdoven. Hoe je ogen steeds valer werden en je je langzaam terugtrok uit het leven. Hoe je de diepte van het bestaan dempte, rust zocht die je maar moeilijk vond. Ik wilde ook niet delen wat ik nog zo graag hardop tegen je wilde zeggen, maar waarvoor het nu te laat was. In plaats daarvan besloot ik te vertellen over onze afspraak: degene die het eerst zou overlijden, zou de ander vertellen hoe het was, daar aan de overkant.

Trillend sta ik op en loop naar de microfoon. Ik noem je een eikel, omdat je me voor bent. Ik benoem het licht, omdat ik je daarin zie. 

Dan fiets ik onder de drukke ringweg door naar Strijp-S. Ik zie zoveel wat jij niet meer hebt kunnen zien. Als jij er nu nog zou zijn, zouden we hier vast samen rondslenteren, weer naar de film gaan. Elkaar vertellen over onze liefdes. Jij grijnzend en ik lachend om jouw grappen. Ik zou je vertellen over mijn kinderen. We zouden ondersteboven op een bankje hangen, net als toen. We zouden de diepste gesprekken voeren zonder iets te zeggen.

Onze laatste ontmoeting op de Markt verschijnt. Ik zit op het terras. Jij loopt voorbij. Je ziet me en komt naar me toe. We zullen niet meer kunnen bellen, zeg je. Alanis Morrissette heeft niet teruggebeld en uit frustratie heb je je telefoon kapot gegooid. Ik lach bezorgd, zeg niet veel, maar voel je pijn. Je zal me komen opzoeken in die andere stad, waar ik inmiddels een kamer heb. Je zal snel langskomen. Dat beloof je.

Links van me glijdt een trein voorbij. Hij is vol met mensen onderweg naar een bestemming. Jij ging graag naar de kust. Met je vrij reizen abonnement ging je zo vaak als je kon. Dan zei je: ‘Vandaag heb ik zin om naar het strand te gaan, ga je mee?’ En ik ging mee. Samen op reis naar een nieuwe horizon, loskomen van alles wat we hadden meegemaakt. Met blote voeten in het zand en de vrije wind in ons gezicht. De weidsheid van de ruimte inademend waarin wij helemaal onszelf konden zijn. Sinds ik jou ken, hoef ik het niet meer alleen te doen. Leven. 

Vanuit de verte toont het PSV-stadion een van zijn acht gebogen armen. Als ik er langsrijd, zie ik door een opening een stuk van de tribune. Het is de doorgang waar ik op de dag van je sterven naar binnen glipte met een vriend. Terwijl de regen de donkergrijze augustuslucht versierde met glinsteringen, hield een leger van lege stoelen ons gezelschap. De enige die onze aanwezigheid kon opmerken was de man op de grasmaaier. Hij zag ons niet.

Die middag sprak ik over jou. Dat je de laatste weken zoveel voorbij kwam in mijn gedachten. Dat ik je graag een keer hardop wilde zeggen hoe belangrijk je voor me was. Dat mijn hart zo verschrikkelijk warm werd als ik aan je dacht. Dat ik had besloten je dit allemaal te vertellen als je naar mijn studentenkamer zou komen en dat ik hoopte dat je dat snel zou doen. Ik kon niet wachten. Als ik nu het stadion passeer, denk ik niet aan voetbal.  

Dan trap ik stevig door. Ik haal het volgende oranje licht en schiet de kruising over. Op een raam rechts van me zie ik dat Mats is geboren, iets verderop zet een vastgoedonderneming een blokkendoos neer. Ik knik naar de hoekige Lichttoren en de halfronde Blob. Bijna ben ik bij de bibliotheek. Het besef spant om mijn borstkas. Rechts staan de fietsenrekken. Mijn handen omklemmen de handvatten, maken aanstalten om in de remmen te knijpen, maar plots sturen ze mijn fiets rechtdoor. Opgelucht laat ik mezelf de Emmasingel affietsen. Langzaam spreid ik mijn vingers en vraag de wind ertussendoor te kriebelen. Via de Keizersgracht en de Kerkstraat ga ik naar het begin van het Stratumseind. Daar stap ik af en sta weer stil. Zal ik naar huis gaan?

Dan zie ik hoe je hier ooit op me afliep. We ontmoetten elkaar weer eens toevallig in de stad. ‘Wat heb je daar op je kin?’ Met je duim wrijf je de camouflagecrème van mijn puist. Zo gemakkelijk leg jij bloot wat ik verstop.

De wind blaast de herinnering weg en wenkt me verder te fietsen. Hij leidt me over het Catharinaplein, langs Dynamo en ik glimlach als ik zie waar we naartoe gaan. Hoog in de lucht balanceert Jezus moedig op de torenspits van de Paterskerk. Met gespreide armen deelt hij zijn liefde uit over de stad. Jezus Waaghals is zijn bijnaam, iemand die durft. Nu vult hij de Tramstraat met zijn warmte. De straat waar jij jouw laatste maanden doorbracht. Waar jij de hemel zag. Waar je me vertelde over het licht dat je voelde als je drugs gebruikte, en waar ik besefte dat ik dat licht al vond bij jou.

Tegenover het nieuwbouwcomplex zet ik mijn fiets neer. Van de plek waar jij woonde, is niets meer te zien. Twee jonge mensen komen lachend naar buiten, hand in hand lopen ze weg. De gedachte steekt diep. Je hebt me toch alleen gelaten. Een traan ontsnapt, met mijn mouw vang ik hem op. Ik bijt op mijn lip en slik. ‘Ik mis je,’ fluister ik. Dan ruik ik het leer van je jas. Je staat naast me. Troostend grijns je naar me, je ogen twinkelen zacht. Je bent niet dood, je bent een levende geschiedenis.

‘Ga maar naar de bieb,’ zeg je.

Ik doe alsof ik het niet hoor. Met mijn schoen verplaats ik een onzichtbaar blaadje op de stoep. Mijn handen steek ik dieper in mijn zakken. Je blijft me aankijken en ik overdenk mijn voorgenomen plan. Dan raak je mijn hart aan en met je duim wrijf je een laagje weg. Voorzichtig pak ik mijn fiets en trap uiteindelijk, maar langzaam, terug naar de Emmasingel.

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven